21 mei 2008
Kansen voor Europa: Innovatie met Mensen
Auteur: Rick Wielens (HIP-EU)
Alweer enige jaren geleden,
woonde ik een bijeenkomst bij over scenario planning met een strateeg
van een elektronica reus uit het zuiden van Duitsland. Hij stelde zich
de vraag wat voor een soort economie Europa in 2020 zou zijn, rekening
houdend met de grote impact van vergrijzing en de toen nog verwachte
migratie van welvarende boomers naar de mediterrane landen .
Een wat donker scenario
volgde. De maakindustrie was in die 20 jaren naar andere landen
verplaatst. Nadat eerst alleen de productie verplaatst was volgde al
snel ontwikkeling omdat de producten ook telkens verbeterd moesten
worden. Toen vervolgens de talent pool in Europa volledig ontoereikend
bleek en de markt in Azië zeer sterk op kwam werd ook research
verplaats naar Azië. Voor vele kleinere toeleverende ondernemingen de
doodsteek, daar met het verdwijnen van de grote ondernemingen het
niveau van de technologie ontwikkelingen zakte en tengevolge de toegang
tot de internationale handel, een groot deel van de export en het
netwerk dat wereldwijd top bedrijven en instituten bij elkaar bracht..
Inmiddels is uit cijfers
van de Europese Unie af te leiden dat bij de top 700 bedrijven die
investeren in R&D in Europa ruim 25% van de R&D capaciteit in
de komende 5 jaren met pensioen gaat. Uit dezelfde cijfers is te halen
dat de talent pool in Europa nog niet voor de helft deze uitstroom met
nieuwe bèta opgeleiden voorziet, nog afgezien van de tijd die nodig is
om mensen op te leiden om met de gelijke intensiteit innovatie te
blijven doen. Daarnaast zijn de opleidingen door de vele applicaties
veel complexer geworden en is de basis kennis vaak de knowhow van een
bedrijf geworden, waardoor de basiskennis (bv analoge elektronica) niet
meer specifiek onderwezen wordt. Meer innovatie is de Europese
doelstelling maar dit vereist meer mensen die innovaties kunnen doen en
de relevante basis kennis hebben. Open Innovatie kan daar wellicht
soelaas bieden. Open innovatie vereist echter niet alleen een proces-
maar ook een zeer grote mentaliteitsverandering bij de bedrijven.
Kleinere ondernemers doen eigenlijk niets anders dan samenwerken met
andere partijen. Die ondernemers weten dat de enige manier om in de
toenemende complexiteit te overleven bestaat uit het ontwikkelen van
een netwerk van partners. Open innovatie lijkt dus eigenlijk een
uitvinding van de kleine ondernemers en grote ondernemingen kunnen met
het ontwikkelen van een relevant netwerk naar buiten hier ook voordeel
uit halen.
Soms is de oplossing echter
eenvoudiger. Er is een tweede onbenutte kans die in ieder geval op
korte termijn ruimte biedt en dat zijn de babyboomers. De uittocht van
zeer ervaren R&D en engineering mensen bij grote bedrijven is
feitelijk kapitaalvernietiging. Deze mensen hebben veel basis kennis en
hebben de afgelopen 30 jaren de nieuwe producten en processen bedacht
en succesvol in de markt gezet. Ze zijn zeer goed in staat en bereid,
als de condities ervoor geschapen worden, om in de techniek mee te
blijven denken en helpen. Meer dan 70% van de hoger opgeleiden geeft
zelfs aan professioneel actief te willen blijven na pensionering. Niet
zozeer door het invullen van banen maar wel door het invullen van
leemten op kennis- en ervaringsgebied. De sleutel is het vinden,
beschikbaar maken en houden van die kennis en ervaring voor bedrijven
en organisaties. Ervaring en kennis die zich uitstrekt van zeer
technologisch specialistische kennis tot ervaring in het succesvol in
de markt zetten van nieuwe producten en diensten. Kennis en evaring die
zowel grote als kleine bedrijven kunnen gebruiken om oplossingen uit
andere industrie gebieden toe te passen, om de toenemende complexiteit
het hoofd te bieden of vanuit de opportuniteit bekeken om meer kansen
te creëren zonder grote investeringen en risico's.
In de US hebben een aantal
Multinationals jaren geleden al eens de krachten verenigd om
intelligent met de uitstroom van kennis en ervaring om te gaan, daar is
destijds Yourencore uit ontstaan. In Europa ligt de zaak iets anders en
daar is inmiddels HIP Europe actief. De grote kans voor zowel de
grotere als kleinere bedrijven bestaat de komende jaren uit het actief
binnenhalen en inzetten van deze kennis en ervaring. Daarnaast biedt
het verbinden van deze mensen in cross technologie en cross industrie
netwerken een potentieel voor bedrijven om met laag risico en hoge
kennis zeer complexe en interessante producten te ontwikkelen en meer
samenwerkingsvormen en partijen te vinden. De kans voor de kleinere
ondernemingen is om deze kennis en ervaring te gebruiken voor het
ontwikkelen van eigen OEM- en internationalisering activiteiten om zo
zelfstandig en onafhankelijker te worden van de grote technologie
bedrijven.
Gezien de gigantische
investeringen die nodig zijn om meer mensen in techniek op te leiden
zou open innovatie als een vorm van asset utilisation door de overheden
in Europa op een hoger plan getild moeten worden. Open innovatie in de
breedste zin, tussen bedrijven maar ook tussen mensen, beginnend en
ervaren, komend uit vrijwel alle industrieën. Het is een kans vanuit
bedrijfsperspectief en vanuit sociaal maatschappelijk oogpunt: beter
gebruik maken van de mogelijkheden die voorhanden zijn. Natuurlijk
zullen er nieuwe structuren gevonden moeten worden om ervaren mensen
geïnteresseerd te houden. Als dat lukt zou het bijna duurzaam genoemd
kunnen worden.....
Rick Wielens is oprichter van HIP-EU, een platform dat R&D vraagstukken koppelt aan senior R&D specialisten.
12 september 2007
Het MKB verzilvert publieke kennis
Door Murk Peutz
Globalisering
raakt het innovatievermogen van onze bedrijven in de kern. Producten
moeten sneller vernieuwd worden. Consumenten eisen meer ‘features' voor
minder geld, en ‘hoogste kwaliteit' spreekt overal voor zich. Bedrijven
reageren hierop door minder alleen de boer op te gaan. Samenwerken in
product- en dienstontwikkeling wordt steeds meer de trend. Aan grofweg
de helft van de nieuwe producten is al een vorm van samenwerking vooraf
gegaan. Ook op de R&D afdelingsdeur zit geen slot meer. Met ‘Open
Innovatie' is een werkwijze gevonden waar sneller en beter geld uit
(elkaars) vindingen verdiend wordt. Toch kan het MKB niet al deze
openheid ‘zomaar' verzilveren. Ondernemers weten elkaar redelijk vaak
te vinden, maar onderzoekers bij universiteiten en instituten zijn voor
hen grote onbekenden. Met de juiste aanpak en begeleiding komt hierin
verbetering.
De Internationale handel is
in het laatste decennium meer dan verdubbeld. Grote arbeidsreservoirs
maar ook markten in India, China en Rusland hebben zich geopend. Overal
in de wereld vindt de industrie haar goedkoopste productielocatie. De
grote schaarste aan zeeschepen en lange wachttijden in havens lijkt de
trend te bevestigen. Deze concurrentie op wereldschaal maakt bestaande
diensten goedkoper en nieuwe diensten mogelijk. Indiase artsen kijken
naar röntgenopnames uit Amerika en vertaalbureaus ontstaan op het
platteland van Noord China. Dit fenomeen staat inmiddels bekend als
‘offshoring'. Voor wie meer voorbeelden wil, de bestseller ‘the World
is flat' van Thomas Friedman staat er vol mee. Hij voorspelt dat
niet-onderscheidende producten of diensten niet in het dure westen maar
in die nieuwe opkomende economieën gemaakt zullen worden. Blijven dan
alleen de schoonmakers en obers hun brood verdienen in Nederland? En
bij wie gaan ze dan schoonmaken en oberen?
Alleen innovatie kan deze
vragen beantwoorden. De Europese Unie ziet dan ook in de aanval de
beste verdediging. In 2010 moet Europa de meest concurrerende
kenniseconomie van de wereld zijn. Met veel nieuwe producten en
diensten op basis van intelligente toepassing van wetenschap moet de
race gewonnen kunnen worden. Hiervoor worden bedrijven geacht
gezamenlijk 2% van het Bruto Binnenlands Product in R&D te steken.
Volgens het CBS (Het Nederlandse Ondernemingsklimaat in cijfers, 2007)
gebeurt dat niet. In Nederland wordt gemiddeld 1% van het BBP aan
R&D uitgegeven. Zie hier het dilemma voor de Nederlandse
beleidsmaker.
Meer Innovatie: wens en werkelijkheid
Dus we gaan meer toevoegen
aan onze producten en diensten, anders koopt de klant bij de Chinees.
Toch is deze angst gestoeld op harde feiten. Zo maakt ICT het mogelijk
om met een machine ook een onderhoudspakket mee te leveren. Via het
telefoonnetwerk kan een centrale meldkamer of een computer allerlei
gegevens verwerken en op tijd de machine onderhouden. Een
kopieermachine kan een onderhoudsmonteur dus vanzelf bestellen. Een
secretaresse is niet meer nodig. Laat staan de hulpvaardige collega van
de debiteurenafdeling. De fabrikant van de machine kan dus naast de
verkoopprijs ook een extra dienst meeverkopen: meer toegevoegde waarde.
In theorie kan ook een Chinese firma deze dienst erbij verkopen. Maar,
en dat is het mooie, je hebt kennis nodig van de markt, van de klanten
en de gewoonten ter plaatse. Regionaal verankerde firma's doen hierbij
hun voordeel, en zo blijft groei door innovatie in Nederland haar
vruchten afwerpen. Overigens is ‘offshoring' nog steeds mogelijk als
een regionale dienstverlener de machine koopt in China en de rest er
zelf bij doet.
De slimme toepassingen van
technologie en wetenschap zijn bij uitstek geschikt voor kleine en vaak
jonge MKB ondernemers. Zich snel openende niche markten zijn dan ook
ideale doelen voor het MKB. Grote concerns zien vaak onvoldoende brood
in kleine markten. Vaak zijn ze ook te traag om een nieuwe niche te
bezetten. Kleine bedrijven daarentegen kunnen maar moeizaam concurreren
in de grote volwassen markten, waar kosten hoog zijn en marges dun.
Voorwaarde is wel dat ondernemers gemakkelijk bij (nieuwe) technologie
kunnen komen. Voorwaarde is ook dat er voldoende ondernemers zijn die
dat ook willen en proberen. Het CBS becijferde onlangs dat die vlieger
voor Nederland niet op gaat. Nederland neemt een middenpositie in als
het gaat om het aantal innovatieve bedrijven. Dus naast een geringe
investeringsdrang in R&D hebben we ook nog relatief weinig actieve
‘innoveerders'. Gelukkig is er ook goed nieuws van het CBS. Nederland
scoort uitzonderlijk hoog op de bereidheid om samen te werken. Dit is
een belangrijk feit. Want indien we erin slagen om kennis aan te boren
en bedrijven te motiveren deze toe te passen, dan kunnen de
‘teamwork-skills' het schip vlot trekken. Juist naar dat ‘aanboren van
publieke kennis' is recentelijk onderzoek gedaan met verrassende
inzichten.
Publieke kennis verzilveren met ‘smart vouchers'
We moeten dus woekeren met
onze talenten. De winnaar is de ondernemer die het snelst toepassingen
vindt met nieuwe technologie in kleine markten. Het gaat dus om twee
aspecten: je moet toegang hebben tot de kennis én deze toepassen in
commercieel succesvolle producten en diensten. Ofwel, om in het
voorbeeld van de kopieermachine te blijven: onderhoud op afstand
snappen én er geld voor krijgen van klanten. Die toegang tot kennis kan
in Nederland nog verder verbeterd worden. Het blijkt namelijk dat
onderzoeksresultaten van universiteiten, hogescholen en instituten maar
zeer beperkt door het MKB gebruikt worden. Slechts een fractie van het
MKB werkt samen met een dergelijke ‘publieke kennisinstelling'. Hier
ligt dus een enorm potentieel. Wellicht is hier zelfs een mogelijkheid
om de geringe gemiddelde R&D inspanning van bedrijven via de
publieke instellingen te stimuleren. Je moet ondernemers dan wel laten
samenwerken met (publieke) onderzoekers.
Een recente studie in
Limburg (‘Ondernemers op Onderzoek', project mkb springplank) gaf aan
dat drie elementen het verschil kunnen maken als je publieke kennis
wilt verzilveren. Een eerste element heeft te maken met een goede
voorbereiding. Omdat ondernemers maar zelden R&D projecten doen met
een universiteit is er weinig ervaring in het bedrijf opgebouwd.
Bovendien zijn de projecten meestal risicovol. Vaak werkt de beoogde
toepassing toch anders of blijkt de markt er niet in geïnteresseerd te
zijn. De ondernemer en onderzoeker doen er in dergelijke risicovolle
situaties goed aan het onderzoek grondig voor te bereiden. Elkaars
verwachtingen en een zeer precieze definitie van de onderzoeksvraag
moeten van te voren vast staan. Zo niet, dan zorgt de grote dynamiek
vanzelf voor teleurstellingen. Een tweede element gaat over de
bereikbaarheid van publieke onderzoekers. Kennisinstellingen hebben
geen gelikte marketingmachine of actief verkoop apparaat. Contact met
onderzoekers gaat meestal via netwerken en adviseurs. Een ondernemer
die iets wil, moet in die netwerken geïntroduceerd en vervolgens
‘gecoached' worden. Een derde element gaat over de begeleiding van de
onderzoekstrajecten. Naast de geringe ervaring bij de ondernemer met
onderzoek zijn ook de cultuurverschillen tussen onderzoeker en
ondernemer groot. Ondernemers willen snel resultaat zien en benaderen
onderzoeksvragen vanuit een brede context. Een vraag over de
toepasbaarheid van een nieuw metaal houdt volgens een ondernemer al
snel ook de mogelijke productiewijze in. Logisch, als je vanuit markt
en producten denkt, dan moet productie en verkoop mee genomen zijn. Dit
‘scherp krijgen en scherp houden' van het onderzoek vraagt meestal om
een onafhankelijke derde. Iemand die vertrouwd wordt en geen
(commercieel) belang in het onderzoek heeft. Adviseurs van Syntens
treden bijvoorbeeld vaak op in deze rol. In de laatste tien jaar is
hiervoor het concept van de ‘smart voucher' ontstaan. Een ondernemer
voltooit een onderzoekstraject met een kleine financiële prikkel
(subsidie) én met behulp van onafhankelijke begeleiding.
Open Innovatie ook voor het MKB
Globalisering heeft dus de
noodzaak tot innovatie vergroot. Open markten en open concurrentie
hebben een blijvend effect op de manier waarop sommige bedrijven
innoveren. De korte terugverdientijd van nieuwe producten en diensten
enerzijds en de ruime beschikbaarheid van mogelijke partners wereldwijd
anderzijds, heeft bedrijven aangezet tot nieuw denken. Open innovatie
is daarmee een feit. De publieke kennisinstellingen, universiteiten
voorop, moeten een rol spelen in dit nieuwe denken. Kleine en
middelgrote ondernemingen kunnen hiervan profiteren, mits zij de
basisregels in acht nemen zoals die in ‘ondernemers op onderzoek' zijn
samengevat. Het effect hiervan is zeer duurzaam: ruim 80% van de MKB
bedrijven blijven na het eerste researchproject met publieke
kennisinstellingen succesvol samenwerken.
Murk Peutz is regiodirecteur van Syntens,
innovatienetwerk voor ondernemers. Exemplaren van het boek ‘Ondernemers
op Onderzoek' kunnen aangevraagd worden bij Petra Kreijen, pkn@syntens.nl
Open Innovatie en Allianties
Ard-Pieter de Man
Rondom Open Innovatie staat
de manager een aantal technieken ter beschikking: licensing, corporate
venture capital, 'crowd sourcing', informele samenwerking. Een techniek
die steeds belangrijker aan het worden is, is alliantievorming. Uit
onderzoek blijkt dat managementwetenschappers heel eensgezind zijn over
het positieve effect van samenwerking op innovatie. In het algemeen
blijken samenwerkende bedrijven meer patenten te hebben en meer
productintroducties te genereren.
Door allianties kunnen
kosten en risico's worden gedeeld, waardoor meer innovatieprojecten
kunnen worden opgepakt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de samenwerking van
General Motors, BMW en Daimler
die gericht is op het ontwikkelen van hybride motoren. De uitwisseling
van kennis tussen partners stimuleert ook de creativiteit, waardoor
nieuwe innovatieve ideeën ontstaan. Tenslotte kunnen door allianties
ook verschillende industrietakken met elkaar verbonden worden, waardoor
onverwachte combinaties kunnen ontstaan. De Senseo van Douwe Egberts en
Philips is hiervan het bekendste voorbeeld.
Vandaar dat allianties
populair zijn in een tijdperk van open innovatie. Daarbij vraagt de
besturing van de alliantie wel de nodige aandacht. Het blijkt namelijk
verre van eenvoudig te zijn om twee of meer verschillende bedrijven op
elkaar af te stemmen. Met name in situaties waar innovatie van belang
is, is dat vaak moeilijk. Innovatie is immers niet volgens een
spoorboekje te managen. Een innovatie-alliantie zal dus continu moeten
worden aangepast aan gewijzigde omstandigheden.
Die dynamiek is kenmerkend
voor open innovatie. Voor alliantiemanagement betekent zij dat na het
tekenen van een samenwerkingscontract, er continu moet worden
bijgestuurd. De bedrijven met de meest succesvolle allianties benoemen
daarom alliantiemanagers om in overleg en onderhandeling met een
partner hun alliantie aan te passen. Ook besteden deze bedrijven veel
aandacht aan de 'zachte' kant van samenwerken. Cultuur, persoonlijke
relaties en vertrouwen kunnen een samenwerking maken of breken.
Tenslotte voeren steeds meer bedrijven regelmatig een alliantie audit
uit, waarbij zij in kaart brengen of doelen, commitments en voortgang
worden gehaald. Door een alliantie door te lichten op strategische,
culturele, financiële en innovatie-aspecten ontstaat dan een beeld of
en hoe een alliantie moet worden veranderd.
Wanneer bedrijven dit soort technieken gebruiken, zijn ze succesvollere innoveerders. Het farmaceutische bedrijf Eli Lilly
is een topper op het gebied van alliantiemanagement en heeft daardoor
ook een vollere innovatiepijplijn dan andere farmaceuten. Kleine,
innovatieve biotechbedrijven weten dat Eli Lilly goed is in samenwerken
en bieden hun technologie dus graag daar aan. Opbouw van een
samenwerkingsvaardigheid is dus van groot belang. Het vermogen samen te
werken is immers het kenmerk bij uitstek van open innovatie.
Ard-Pieter de Man is
hoogleraar Technische Bedrijfskunde aan de Technische Universiteit
Eindhoven. Recentelijk verscheen zijn boek 'Alliantiebesturing:
Samenwerking als precisie-instrument', waarin hij verder ingaat op de
besturing van innovatieve samenwerkingsverbanden.
Zijn vorige boek,'The Network Economy: Strategy, Structure and Management'', is hier te bestellen:
http://www.e-elgar.co.uk/bookentry_main.lasso?id=3189
|