Dit is een samenvatting van de bevindingen die ik gedaan heb bij het uitvoeren van een toekomstanalyse voor Avans Hogeschool. Voor dit onderzoek heb ik in totaal 52 professionals gevraagd naar hun mening over 12 stellingen betreffende de toekomst van onderwijs. Dat levert enkele interessante resultaten op.

1. Introductie

Tijdens haar inaugurale rede op 2 juni 2017 leidde prof. dr. ir. Vareska van de Vrande op krachtige wijze de urgentie van de huidige veranderingen in de markt in:
 “There is no doubt that the world in which we live is rapidly changing. A recent report published by the World Economic Forum stated that we are at the beginning of the fourth industrial revolution. Technological progress, and in particular, developments in genetics, robotics, nanotechnology and artificial intelligence, has accelerated the pace of change of our world today. More importantly, perhaps, is the fact that these developments have created a business environment that is both uncertain and unpredictable, and where change and disruption may come unexpectedly” (Van De Vrande, 2017)
Van De Vrande (2017) benoemt daarin ook de drie grootste uitdagingen voor bedrijven en professionals in de nabije toekomst.

 

Oorzaak
Gevolg
Er is een toenemende vraag onder werknemers en organisaties om ondernemende activiteiten te ontplooien. 
Druk op management en organisatiestructuren om ondernemerschap te ondersteunen en versnellen.
Het aantal startups alsmede de snelheid waarmee ze nieuwe technologieën op de markt kunnen brengen groeit.
Er liggen kansen voor professionals en organisaties om samen te werken met startups op het vlak van opkomende technologieën.
De manier van werken en de traditionele arbeidsrelatie verandert door verdergaande digitalisering.
Biedt een kans voor bedrijven om relaties met werknemers te heroverwegen en flexibel gebruik te maken van eigen werknemers en werknemers van anderen. 

 

Feitelijk verwijst Van De Vrande hierin naar de drieluik van veranderingen op social-economisch gebied (sociale innovatie), economisch gebied (technologische innovatie) en maatschappelijk gebied (business-model innovatie). Zonder er verder op uit te wijden kunnen we stellen dat deze drieluik door andere auteurs en experts onderstreept.
Vanzelfsprekend leidt deze transitie in de markt de vierde industriële revolutie ook tot:
  1. een veranderende vraag naar beroepsprofessionals en;
  2. een vernieuwende inrichting van het beroepsonderwijs in zijn geheel.

 

Veranderende vraag naar beroepsprofessionals

Voor wat betreft punt 1 beschrijven Georghiou & Sachwald (2017, p. 29) de impact op het hoger onderwijs. Ze geven aan dat in de totstandkoming van continue vernieuwing ook een belangrijke rol voor kennisontwikkeling (‘absorptive capacity’) is weggelegd. Kennisontwikkeling leidt tot een toename van het gebruik van open innovatie en de diffusie van innovatie’ tussen bedrijven en daarmee een innovatief ecosysteem (zie figuur 1). Kennisontwikkeling valt of staat met het gemak waarmee bedrijven toegang hebben tot kennis en getalenteerd personeel. Een belangrijke voorwaarde daartoe is dat het hoger onderwijs zich voortdurend aan dient te passen aan de behoefte aan technologische innovatie. Dit is daarom een belangrijke missie voor instellingen in het hoger en universitair onderwijs.

 

Vernieuwende inrichting van het onderwijssysteem

Niet alleen de kwalitatieve vraag naar beroepsprofessionals verandert, ook het onderwijssysteem is aan verandering onderhevig, enerzijds vanwege dezelfde technologische mogelijkheden en anderzijds omdat het onderwijs zich voortdurend moet aanpassen op de vraag uit de markt. Bert van der Zwaan (2016), rector magnificus aan de Universiteit Utrecht, heeft na een sabbatical van half jaar waarin hij de wereld overtrok om antwoord te vinden op de vraag hoe ziet de universiteit er in 2040 uit?” een opsomming gemaakt van de voornaamste trends waaraan het onderwijssysteem onderhevig is. 
  1. Globale innovatiehubs: door verstedelijking verandert het hoger onderwijs langzaam in een global campus’: instituten die zich richten op innovatie en ondernemerschap en het centrum vormen van regionaal ecosysteem waarin kennis gevaloriseerd wordt.
  2. Digitalisatie: IT zal het onderwijslandschap drastisch veranderen. Online learning en blended learning zijn slechts de eerste tekenen van een toekomst waarin exponentieel leren centraal door middel van big data, open science en serious games
  3. Ontbundeling: ontbundeling is de trend richting een modulair, gepersonaliseerd onderwijssysteem. Kennisinstellingen en studenten hebben toegang tot een globale pool van experts en talenten, toegankelijk online gepersonaliseerd onderwijs (SPOC’s) en gedeelde intellectuele kennis. Ontbundeling leidt idealiter tot 7 billion universities’.
  4. Leven-lang-leren: een leven lang leren, dat is antwoord op het probleem dat er nog steeds een voortdurende mismatch is tussen de vraag uit het bedrijfsleven en het aanbod van het onderwijs. Instellingen zullen hun onderwijs beter en sneller aanpassen op de vraag uit de markt en veranderen in engaged universities. Onderwijs zal steeds minder gebonden zijn aan leeftijd en steeds meer aan diffuus geïntegreerd raken in een langdurig persoonlijk ontwikkeltraject.
  5. Economische verandering: universiteiten en hogescholen zullen op de middellange termijn steeds meer afhankelijk worden van de derde geldstroom en het hoger onderwijs zal in toenemende mate worden geprivatiseerd. Wereldwijd zal het verschil in kwaliteit tussen hoger onderwijsinstellingen zeer groot blijven.
  6. De Burgeruniversiteit: wat de voornaamste functie van een universiteit zal zijn in de toekomst is onzeker. Zal een universiteit zich primair richten op a) het ontwikkelen van talent, b) het doen van toegepast onderzoek voor ondernemerschap en innovatie of c) het uitvoeren van fundamenteel onderzoek om grote sociaal-maatschappelijke problemen op te lossen?
Bovenstaande bevindingen lijken in lijn met het standaardpatroon in disruptie’ dat Diamandis en Kotler (Singularity University, 2016) hebben beschreven. Het onderwijs zal de komende decennia radicaal veranderen volgens het volgende patroon:
  1. Digitized: digitalisering van het onderwijs
  2. Deceptive: er is een periode van terughoudend gedrag met betrekking tot digitale ontwikkelingen. Alleen de startups houden vol en zetten door. (huidige fase)
  3. Disruptive: nieuwe spelers zullen op grote schaal de oude spelers inhalen en onderwijs op een disruptief andere manier aanbieden. Dit kan zich aftekenen doordat bedrijven ineens niet meer vragen om diploma’s van onderwijsinstellingen, maar graag een portfolio van online certificaten willen zien. Of dat een meerderheid van de studenten na hun middelbare school kiest voor een online courses bij Coursera.
  4. Demonetized: het onderwijssysteem zal nagenoeg gratis worden door een overvloed aan kwalitatief goed aanbod.
  5. Dematerialisatie: het onderwijssysteem zal gedeïnstitutionaliseerd worden. Fysieke omgevingen verdwijnen en de instituties vervagen. Hybride modellen garanderen ook kwaliteit en dat verkleint de noodzaak tot een institutionele inrichting van het systeem.
  6. Democratisering: het onderwijs raakt volledig gedemocratiseerd. De rolverdeling tussen docent en student verdwijnt: iedereen is expert, iedereen is lerend. Iedereen draagt bij en dat is ook meetbaar. Onderwijs is van iedereen en voor iedereen.
Bovendien doet Gartner ieder jaar onderzoek naar de ontwikkelingen in bepaalde branches. In 2016 is het meest recente rapport verschenen over (technologische) ontwikkelingen in het onderwijs (bron):   
Het valt op dat een aantal elementen, die nu nog weinig aandacht krijgen binnen Avans/AOMI al breed geaccepteerd zijn. Deze behoeven aandacht:
  • Gamification
  • E-books
  • Mobile learning
  • Adaptive Learning Platforms
Daarnaast valt op dat er een aantal hypes zijn; wil je vooruit blijven lopen dan is het interessant om hier vroeg bij te zijn:
  • Big Data in Education/ Learning Analytics
  • Digital Assessment
  • MOOC’s
  • Virtual Reality/ Augmented Reality
  • Smart Machine Education
  • Blockchain in Education

De impact van data-gedreven en slimme toepassingen op onderwijs – en de maatschappij in het algemeen – wordt ondersteund door o.a. de VN Sustainability Goals. Onderstaande figuur geeft een overzicht van de 17 doelen en de manier waarop slimme technologie daar een invloed op heeft:

AI-UN

2. Onderzoek en stellingen

Uit bovenstaande analyse kan ik een aantal preliminaire hypothesen afleiden over het onderwijs in innovatie en ondernemerschap in de komende jaren. Deze hypothesen zal ik vervolgens trachten te toetsen aan de hand van een omgevingsanalyse, stakeholdersanalyse en concurrentieanalyse. Het resultaat is een lijst van concrete ontwerpeisen.
Ontwerpeisen aan het curriculum van de toekomst
  1. Toekomstige professionals zijn ondernemend en creatief.
  2. Toekomstige professionals kunnen ondernemerschap en innovatie versnellen in organisaties.
  3. Toekomstige professionals beschikken over verdiepende technologische kennis (bijv. robotica, big data, IoT).
  4. Toekomstige professionals hebben met een zogenaamd T-profile, waarin bovenstaande vaardigheden tegelijkertijd aanwezig zijn.
  5. Toekomstige professionals hebben vaardigheden om te kunnen innoveren in open systemen (open innovatie, co-creatie).
  6. Toekomstige professionals zijn digital wizzkids’ die juist floreren in een flexibele en onzekere omgeving.
Ontwerpeisen aan de inrichting van het onderwijs van de toekomst
  1. Toekomstige onderwijsinstellingen zijn het centrum van een regionale ecosysteem van innovatie en ondernemerschap.
  2. Toekomstige onderwijsinstellingen zijn volledig gedigitaliseerd.
  3. Toekomstige onderwijsinstellingen bieden volledig ontbundeld’ onderwijs aan: modulair, gepersonaliseerd onderwijs.
  4. Toekomstige onderwijsinstellingen richten zich per definitie op een leven-lang-leren. De rol tussen docenten en studenten verdwijnt.
  5. Toekomstige onderwijsinstellingen zijn volledig geprivatiseerd.
  6. Toekomstige onderwijsinstellingen zijn gedemocratiseerd: van iedereen, voor iedereen én gratis.

3. Onderzoeksresultaten

Om te kijken wat de verschillende actoren in de omgeving van ABC belangrijk achten voor de opleiding is een korte enquête uitgezet waarin aan de respondenten gevraagd is om aan te geven in welke mate ze het eens zijn met de 12 eerdergenoemde stellingen en om daar een korte toelichting bij te geven. De enquête is afgenomen bij:
  • 10 studenten
  • 20 docenten
  • 7 young professionals met <5 jaar ervaring
  • 16 professionals uit het werkveld met een bovengemiddelde affiniteit met onderwijs, innovatie en ondernemerschap.

 

  • Over stelling 1, stelling 2 en stelling 5 geeft de meerderheid aan het ermee eens te zijn en is er weinig spreiding. Respondenten geven in de argumentatie voor stelling 1 aan dat het wel belangrijk is om creativiteit en ondernemerschap zo goed als mogelijk te specificeren, want in de mate van expertise op deze thema’s kun je je juist positioneren als opleiding. Bij stelling 2 wordt in de toelichting genoemd dat het versnellen van innovatie vooral plaatsvindt door het vaardig zijn in het doorlopen van innovatie-activiteiten en niet door meer algemene (management)vaardigheden of kennis. Bij stelling 5 wordt opgemerkt dat het hier in de basis vooral gaat om een open, samenwerkende en communicatieve houding. 
  • Stelling 3 en stelling 4 zijn aan elkaar gelinkt. De respondenten zijn het gematigd eens met de stelling dat innovatieprofessionals dienen te beschikken over specifieke technologische kennis. Tegenstanders benoemen dat dat geen noodzaak is, voorstanders merken op dat het professionals wel een pré op de arbeidsmarkt geeft. De professionals en docenten zijn het duidelijk meer eens met deze stelling, wat een belangrijke voorspellende waarde geeft. Bij de vraag of professionals een zogenaamd T-profiel zouden moeten hebben is men het grotendeels eens, vooral de professionals. Dit versterkt ook stelling 3. Professionals plaatsten hier opmerkingen als technische kennis wordt in toenemende mate onmisbaar” en of [zelfs] een M-profiel met meerdere specialisaties.” 
  • Over stelling 6 is men het gematigd eens. Hier zien we grote spreiding over alle groepen respondenten. Men benoemt vooral dat het meer een noodzaak is om in de toekomst digitaal geletterd te zijn en om om te kunnen gaan met flexibiliteit en onzekerheid. Respondenten merken op dat dat echter niet het verschil gaat maken en dat onzekerheid de productiviteit en psychologische gesteldheid van professionals niet per se ten goede komt. 
  • Wanneer gevraagd naar toekomstige veranderingen in het onderwijs zijn respondenten over de hele linie het eens met stelling 7: de rol van hogescholen zal in de toekomst (nog meer) centraal komen te staan in een regionaal ecosysteem. Respondenten geven aan dat co-creatie tussen opleidingen en werkveld het ideaalbeeld is, maar dat er nog wel veel werk aan de winkel is (“Wij hebben nu 3 stagiaires, maar de school neemt nooit contact op.”) Respondenten geven ook aan dat de grenzen tussen onderwijs en bedrijfsleven hierin ook gaan vervagen: het zullen juist gecombineerde hubs’ van onderwijs, bedrijfsleven en andere organisaties worden die het ecosysteem drijven het is belangrijk daarin de samenwerking met elkaar op te zoeken. 
  • Ook over stelling 9 en stelling 10 is men het over het algemeen eens, maar daar is wel meer spreiding te zien. In beide gevallen geven het werkveld (professionals en alumni) aan het meer eens te zijn (dan de studenten en docenten). Het werkveld benadrukt bij stelling 9 dat dit meer persoonlijk onderwijs oplevert en dat het wel noodzakelijk is om met de snelheid van de markt mee te gaan. De kanttekening die men plaatst is wel dat het onder goede begeleiding/coaching moet gebeuren. Docenten zijn het minder eens en benadrukken dat de kwaliteit van het onderwijs wel controleerbaar moet zijn en dat er samenhang en kaders moeten zijn tussen de modules. Bij stelling 10 geven respondenten aan leven-lang-leren te omarmen, maar dat het onderscheid tussen docent en student nog zal blijven bestaan. De docent wordt steeds meer een coach (of mentor bij leven-lang-leren). 
  • Voor wat betreft stelling 8 en stelling 12 zijn de meningen verdeeld en heerst er grote spreiding. Bij stelling 8 zien we geen verschil tussen de groepen, bij stelling 12 is het werkveld het meer oneens. Professionals geven aan dat gedemocratiseerd onderwijs waarschijnlijk nooit zal gaan werken. Voor wat betreft digitaal onderwijs geven respondenten aan dat dat grotendeels al beschikbaar is, maar nog niet doorbreekt omdat juist het persoonlijke contact het huidige onderwijssysteem zo sterk maakt. Dus ja, het onderwijs zal meer digitaliseren, maar nee, fysiek contact zal niet verdwijnen. 
  • Over stelling 11 is vrijwel iedereen het oneens. Het onderwijs zal niet gebaat zijn bij een grote privatisering. Dit druist in tegen enkele belangrijke waarden zoals neutraliteit en relatieve onafhankelijkheid” en het feit dat het onderwijs een maatschappelijk belang dient”.

 4. Discussie

Bovenstaande analyse betreft een verkennend onderzoek. Er is slechts een beperkt aantal bronnen gebruikt en het is slechts beperkt getoetst. De bevindingen dienen vooral als inspiratie en dienen verder te worden onderzocht alvorens onderdeel te worden van een keuzeproces (of een visie voor de langere termijn).