Door Murk Peutz

Globalisering raakt het innovatievermogen van onze bedrijven in de kern. Producten moeten sneller vernieuwd worden. Consumenten eisen meer ‘features’ voor minder geld, en ‘hoogste kwaliteit’ spreekt overal voor zich. Bedrijven reageren hierop door minder alleen de boer op te gaan. Samenwerken in product- en dienstontwikkeling wordt steeds meer de trend. Aan grofweg de helft van de nieuwe producten is al een vorm van samenwerking vooraf gegaan. Ook op de R&D afdelingsdeur zit geen slot meer. Met ‘Open Innovatie’ is een werkwijze gevonden waar sneller en beter geld uit (elkaars) vindingen verdiend wordt. Toch kan het MKB niet al deze openheid ‘zomaar’ verzilveren. Ondernemers weten elkaar redelijk vaak te vinden, maar onderzoekers bij universiteiten en instituten zijn voor hen grote onbekenden. Met de juiste aanpak en begeleiding komt hierin verbetering.

De Internationale handel is in het laatste decennium meer dan verdubbeld. Grote arbeidsreservoirs maar ook markten in India, China en Rusland hebben zich geopend. Overal in de wereld vindt de industrie haar goedkoopste productielocatie. De grote schaarste aan zeeschepen en lange wachttijden in havens lijkt de trend te bevestigen. Deze concurrentie op wereldschaal maakt bestaande diensten goedkoper en nieuwe diensten mogelijk. Indiase artsen kijken naar röntgenopnames uit Amerika en vertaalbureaus ontstaan op het platteland van Noord China. Dit fenomeen staat inmiddels bekend als ‘offshoring’. Voor wie meer voorbeelden wil, de bestseller ‘the World is flat’ van Thomas Friedman staat er vol mee. Hij voorspelt dat niet-onderscheidende producten of diensten niet in het dure westen maar in die nieuwe opkomende economieën gemaakt zullen worden. Blijven dan alleen de schoonmakers en obers hun brood verdienen in Nederland? En bij wie gaan ze dan schoonmaken en oberen?

Alleen innovatie kan deze vragen beantwoorden. De Europese Unie ziet dan ook in de aanval de beste verdediging. In 2010 moet Europa de meest concurrerende kenniseconomie van de wereld zijn. Met veel nieuwe producten en diensten op basis van intelligente toepassing van wetenschap moet de race gewonnen kunnen worden. Hiervoor worden bedrijven geacht gezamenlijk 2% van het Bruto Binnenlands Product in R&D te steken. Volgens het CBS (Het Nederlandse Ondernemingsklimaat in cijfers, 2007) gebeurt dat niet. In Nederland wordt gemiddeld 1% van het BBP aan R&D uitgegeven. Zie hier het dilemma voor de Nederlandse beleidsmaker.

Meer Innovatie: wens en werkelijkheid

Dus we gaan meer toevoegen aan onze producten en diensten, anders koopt de klant bij de Chinees. Toch is deze angst gestoeld op harde feiten. Zo maakt ICT het mogelijk om met een machine ook een onderhoudspakket mee te leveren. Via het telefoonnetwerk kan een centrale meldkamer of een computer allerlei gegevens verwerken en op tijd de machine onderhouden. Een kopieermachine kan een onderhoudsmonteur dus vanzelf bestellen. Een secretaresse is niet meer nodig. Laat staan de hulpvaardige collega van de debiteurenafdeling. De fabrikant van de machine kan dus naast de verkoopprijs ook een extra dienst meeverkopen: meer toegevoegde waarde. In theorie kan ook een Chinese firma deze dienst erbij verkopen. Maar, en dat is het mooie, je hebt kennis nodig van de markt, van de klanten en de gewoonten ter plaatse. Regionaal verankerde firma’s doen hierbij hun voordeel, en zo blijft groei door innovatie in Nederland haar vruchten afwerpen. Overigens is ‘offshoring’ nog steeds mogelijk als een regionale dienstverlener de machine koopt in China en de rest er zelf bij doet.

De slimme toepassingen van technologie en wetenschap zijn bij uitstek geschikt voor kleine en vaak jonge MKB ondernemers. Zich snel openende niche markten zijn dan ook ideale doelen voor het MKB. Grote concerns zien vaak onvoldoende brood in kleine markten. Vaak zijn ze ook te traag om een nieuwe niche te bezetten. Kleine bedrijven daarentegen kunnen maar moeizaam concurreren in de grote volwassen markten, waar kosten hoog zijn en marges dun. Voorwaarde is wel dat ondernemers gemakkelijk bij (nieuwe) technologie kunnen komen. Voorwaarde is ook dat er voldoende ondernemers zijn die dat ook willen en proberen. Het CBS becijferde onlangs dat die vlieger voor Nederland niet op gaat. Nederland neemt een middenpositie in als het gaat om het aantal innovatieve bedrijven. Dus naast een geringe investeringsdrang in R&D hebben we ook nog relatief weinig actieve ‘innoveerders’. Gelukkig is er ook goed nieuws van het CBS. Nederland scoort uitzonderlijk hoog op de bereidheid om samen te werken. Dit is een belangrijk feit. Want indien we erin slagen om kennis aan te boren en bedrijven te motiveren deze toe te passen, dan kunnen de ‘teamwork-skills’ het schip vlot trekken. Juist naar dat ‘aanboren van publieke kennis’ is recentelijk onderzoek gedaan met verrassende inzichten.

Publieke kennis verzilveren met ‘smart vouchers’

We moeten dus woekeren met onze talenten. De winnaar is de ondernemer die het snelst toepassingen vindt met nieuwe technologie in kleine markten. Het gaat dus om twee aspecten: je moet toegang hebben tot de kennis én deze toepassen in commercieel succesvolle producten en diensten. Ofwel, om in het voorbeeld van de kopieermachine te blijven: onderhoud op afstand snappen én er geld voor krijgen van klanten. Die toegang tot kennis kan in Nederland nog verder verbeterd worden. Het blijkt namelijk dat onderzoeksresultaten van universiteiten, hogescholen en instituten maar zeer beperkt door het MKB gebruikt worden. Slechts een fractie van het MKB werkt samen met een dergelijke ‘publieke kennisinstelling’. Hier ligt dus een enorm potentieel. Wellicht is hier zelfs een mogelijkheid om de geringe gemiddelde R&D inspanning van bedrijven via de publieke instellingen te stimuleren. Je moet ondernemers dan wel laten samenwerken met (publieke) onderzoekers.

Een recente studie in Limburg (‘Ondernemers op Onderzoek’, project mkb springplank) gaf aan dat drie elementen het verschil kunnen maken als je publieke kennis wilt verzilveren. Een eerste element heeft te maken met een goede voorbereiding. Omdat ondernemers maar zelden R&D projecten doen met een universiteit is er weinig ervaring in het bedrijf opgebouwd. Bovendien zijn de projecten meestal risicovol. Vaak werkt de beoogde toepassing toch anders of blijkt de markt er niet in geïnteresseerd te zijn. De ondernemer en onderzoeker doen er in dergelijke risicovolle situaties goed aan het onderzoek grondig voor te bereiden. Elkaars verwachtingen en een zeer precieze definitie van de onderzoeksvraag moeten van te voren vast staan. Zo niet, dan zorgt de grote dynamiek vanzelf voor teleurstellingen. Een tweede element gaat over de bereikbaarheid van publieke onderzoekers. Kennisinstellingen hebben geen gelikte marketingmachine of actief verkoop apparaat. Contact met onderzoekers gaat meestal via netwerken en adviseurs. Een ondernemer die iets wil, moet in die netwerken geïntroduceerd en vervolgens ‘gecoached’ worden. Een derde element gaat over de begeleiding van de onderzoekstrajecten. Naast de geringe ervaring bij de ondernemer met onderzoek zijn ook de cultuurverschillen tussen onderzoeker en ondernemer groot. Ondernemers willen snel resultaat zien en benaderen onderzoeksvragen vanuit een brede context. Een vraag over de toepasbaarheid van een nieuw metaal houdt volgens een ondernemer al snel ook de mogelijke productiewijze in. Logisch, als je vanuit markt en producten denkt, dan moet productie en verkoop mee genomen zijn. Dit ‘scherp krijgen en scherp houden’ van het onderzoek vraagt meestal om een onafhankelijke derde. Iemand die vertrouwd wordt en geen (commercieel) belang in het onderzoek heeft. Adviseurs van Syntens treden bijvoorbeeld vaak op in deze rol. In de laatste tien jaar is hiervoor het concept van de ‘smart voucher’ ontstaan. Een ondernemer voltooit een onderzoekstraject met een kleine financiële prikkel (subsidie) én met behulp van onafhankelijke begeleiding.

Open Innovatie ook voor het MKB

Globalisering heeft dus de noodzaak tot innovatie vergroot. Open markten en open concurrentie hebben een blijvend effect op de manier waarop sommige bedrijven innoveren. De korte terugverdientijd van nieuwe producten en diensten enerzijds en de ruime beschikbaarheid van mogelijke partners wereldwijd anderzijds, heeft bedrijven aangezet tot nieuw denken. Open innovatie is daarmee een feit. De publieke kennisinstellingen, universiteiten voorop, moeten een rol spelen in dit nieuwe denken. Kleine en middelgrote ondernemingen kunnen hiervan profiteren, mits zij de basisregels in acht nemen zoals die in ‘ondernemers op onderzoek’ zijn samengevat. Het effect hiervan is zeer duurzaam: ruim 80% van de MKB bedrijven blijven na het eerste researchproject met publieke kennisinstellingen succesvol samenwerken.

Murk Peutz is regiodirecteur van Syntens, innovatienetwerk voor ondernemers. Exemplaren van het boek ‘Ondernemers op Onderzoek’ kunnen aangevraagd worden bij Petra Kreijen, pkn@syntens.nl